Skip to main content

Een kort verhaal of kortverhaal, bij voorkeur maar niet beperkt tot maximaal 1000 woorden, is een kort prozawerk, langer dan een anekdote en korter dan een novelle en zich gewoonlijk beperkend tot slechts enkele personages.

4.0

Waarderingen: 1
Hits: 26

Een donkere tocht

Het is middernacht. Er krijst een uil als het volle maanlicht de inktzwarte gestalte van een man losweekt uit de bosrandcontouren. De man loopt het vlakke weiland in. Hij heeft iets in zijn hand. Met trage tred beweegt hij zich kromgebogen voort. Het maanlicht tekent zijn silhouet als een wajangpop af tegen de wolkeloze hemel. In plaats van gamelanmuziek klinkt hier nauwelijks hoorbaar het zacht sompen van zijn loden tred in het drassige land. Zijn logge motoriek oogt onheilspellend. Wat is hij van plan? Wat heeft hij eigenlijk in zijn hand? Het lijkt op een korte stok met een gekromd uiteinde. Af en toe houdt hij zijn pas in en recht de rug. Hij kijkt om zich heen alsof hij zich ervan wil vergewissen dat niemand hem volgt. Dan hervat hij kromgebogen zijn weg.

Prikkeldraad! De man duwt het draad omlaag om erover heen te kunnen stappen. Hij blijft haken, laat het draad los en vloekt gedempt als het met kracht terug veert tegen zijn bovenbeen. Hij maakt zijn broek voorzichtig los van het draad en vervolgt zijn tocht.

Omtrekken van kruizen worden zichtbaar. Een kerkhof. Om zich heen kijkend loopt de man langs de zerken, kennelijk op zoek naar iets. Naar wat? Een overleden familielid die hij in een opwelling van verdriet op dit onmogelijke nachtelijke uur eer wil betuigen? Misschien is hij wel een complotdenker die het bewijs zoekt dat hier, na satanische rituelen, geofferde kinderen zijn begraven! Of zou het een misselijk makende necrofiel zijn op zoek naar een vers graf waarin hij zich aan een weerloze overledene kan vergrijpen?

Speurend loopt hij verder. De stok laat hij nu op zijn schouder rusten. Het is geen stok. Het is… het is  een koevoet! Wat gaat hij in godsnaam doen? Het is bladstil. Het lijkt of moeder natuur haar adem inhoudt in afwachting van het gruwelijks dat zich binnen enkele momenten onder dekking van haar nachtmantel onontkoombaar zal voltrekken.

Er flitst een lichtstraal. Ergens bij de bosrand loopt iemand met een zaklamp. De man ziet het en duikt achter een grafzerk. De lichtbundel is zo fel dat het donker erachter de eigenaar van de lantaarn opslokt. De lamp lijkt autonoom dansend het landschap af te speuren met een handtastelijke lichtstraal die met wild om zich heen grijpen iets hoopt te vangen. Zou de man gezocht worden? Is hij misschien een moordenaar en de koevoet zijn wapen?

Het licht danst voorbij en verdwijnt. De gestalte van de man maakt zich los van de inktzwarte achtergrond van de grafzerk. Hij hervat zijn speurtocht en blijft staan bij een graf met een scheefgezakt kruis. Hij kijkt om zich heen. Dan zet hij zijn koevoet aan de grafsteen en is het schrapend geluid van steen over steen duidelijk hoorbaar. De man pauzeert even, hijgt van inspanning en richt zich luisterend op. Waarschijnlijk om er zeker van te zijn dat het geluid niet ongewenste oren aantrekt. Als hij geen tekenen van onraad bespeurt, hervat hij zijn werk. De zerk is ruim een halve meter opzij geschoven. De man gaat op zijn knieën zitten en steekt een arm in het graf. Even lijkt het alsof hij de steen met zijn handen verder van het graf wil schuiven. Hij blijkt iets anders van plan te zijn. Hij beweegt zijn arm heen en weer in de grafholte alsof hij op zoek is naar iets. Zou hij weet hebben van een verborgen schat, die hij hier onder de dekking van de nacht stiekem komt roven?

Hij lijkt gevonden te hebben wat hij zocht. Hij haalt iets vierkantigs met een soort handvat uit het graf. Direct daarna schittert het voorwerp vervaarlijk als een enorme diamant, gevangen als het is in de lichtbundel van een felle zaklamp.

‘Arie!’, een strenge vrouwenstem doorklieft de stilte.

De man staat met een ruk op. De bundel van de lantaarn richt zich nu op zijn gezicht. Net voordat de man zijn ogen dichtknijpt voor het felle licht, zijn een fractie van een seconde grote angstogen zichtbaar.

‘Arie!’ herhaalt de vrouw met een stem waarin een door vele frustraties opgebouwde woede klinkt, die nu als een pistoolschot wordt afgevuurd op de man.

‘Ik eh…’, begint de man.

‘Geen smoesjes Arie! Zelfs ìk kan bijna niet geloven hoe diep jij gezonken bent. Zie jezelf nou eens staan man!’

‘Maar…’ probeert hij.

‘Niks te maren. Elke keer als ik je door heb, beloof je beterschap en elke keer weer moet ik je opnieuw betrappen. Na al die jaren dat ik heb geprobeerd je op het rechte spoor te krijgen, na alle begrip dat ik voor je heb opgebracht ondanks teleurstelling na teleurstelling! En al die behandelingen in de kliniek, hebben die dan nooit iets uitgehaald? Begrijp je dat het nu voorgoed afgelopen is?’

‘Nou, ik zie nu wel in dat…’

‘Meneer ziet het wel in?! Meneer ziet nu eindelijk in dat het verstoppen van flessen jenever in graven om je hopeloze alcoholverslaving te verhullen te ver gaat? Nou, je bekijkt het maar!’

Het licht danst weg van de man die in het licht van de volle maan de fles aan zijn mond zet.

©

Jouw waardering of commentaren? Klik op een van de balken hieronder.

LEZENSWAARDIG?

Klik opom de gewenste score te kiezen en dan op Waardeer.

COMMENTAAR
Auteurs stellen een reactie op prijs. Alvast onze dank voor jouw commentaar.
Laat reactieformulier zien

Recente inzendingen

Lezenswaardig

Jury